Obesitas (zwaarlijvigheid, vetzucht) is een teveel aan vet in het lichaam, waardoor overgewicht ontstaat. Het is een voorbeschikkende factor voor tal van ziekten en vermindert de levensverwachting. Door een evenwichtige voeding kan obesitas worden voorkomen.

Het menselijk lichaam is in normale toestand, deels samengesteld uit vetten. Deze vetten vervullen de rol van energiereserve en worden opgeslagen in de cellen van het vetweefsel (adipocyten). Bij heel wat mensen is er te veel vet opgeslagen en dit vertaalt zich door overgewicht. Naargelang van de grootte van het teveel aan gewicht spreken we van overgewicht (iets te hoog lichaamsgewicht) of obesitas (veel te hoog overgewicht.

Verschillende vormen van obesitas:
  • Obesitas kan beginnen in de kindertijd of op volwassen leeftijd optreden. Sommige zwaarlijvige personen vertonen gedragsstoornissen met betrekking tot de voeding (compulsief eten, voortdurend knabbelen of snoepen), anderen niet. Bij sommigen kan een precieze uitlokkende omstandigheid worden opgespoord die wordt gevolgd door een snelle gewichtstoename. Bij anderen ontstaat de obesitas heel geleidelijk in de loop der jaren. Ten slotte zijn de vetcellen bij de ene mens verschillend verdeeld over het lichaam dan bij een andere
Met behulp van verschillende indexen en testen kan obesitas worden bepaald en geëvalueerd. De index die het meest wordt gebruikt is de BMI (body mass index) of quetelet-index. De waarde van de index is gelijk aan het gewicht van de persoon in kilogram gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters. Weegt u bijvoorbeeld 75 kg en is uw lengte 1,80 m, dan is uw BMI: 75:1,8x1,8=23,2. Een BMI tussen 20 en 25 wordt als normaal beschouwd. Tussen 25 en 30 spreekt men van (licht) overgewicht. De drempel voor obesitas of ernstig overgewicht ligt op 30, het punt waarop de risico's van ziekten gekoppeld aan zwaarlijvigheid het hoogst zijn. Boven 35 spreekt men van ziekelijk overgewicht. Deze definities blijven echter statistisch; ze zijn willekeurig en zijn niet altijd aangepast aan individuele gevallen.


Ben u wel te dik?
De polstest:
Bij vrouwen:
  • Minder dan 14 cm polsomtrek, een licht lichaamsbouw
  • Tussen de 14-16,5 cm, een gemiddelde lichaamsbouw
  • Boven de 16,5 cm, een zware lichaamsbouw
Bij mannen:
  • Elke maat onder de 16,5, een lichte lichaamsbouw
  • Tussen de 16,5-18 cm, een gemiddelde lichaamsbouw
  • Boven de 18 cm, een zware lichaamsbouw
Middel-heupomtrekverhouding:
  • Overgewicht zegt nog niet alles, ook de plaats van het vet speelt een rol.Vet in de buik is gevaarlijker dan vet rond de heupen.Dit kunt u meten met behulp van de middelheup-omtrekverhouding (afgekort MHR: middel heup ratio)Pak een meetlint en meet de omtrek van uw buik en van de heupen.Deel nu de middelomtrek door de heupomtrek.Bijvoorbeeld: als de middelomtrek 97 cm is en de heupomtrek 100 cm, dan is de MHR 97:100=0,97Doorgaans spreekt men van een verkeerde vetverdeling bij een MHR van 0,95 of meer bij mannen en 0,80 of meer bij vrouwen
Taille-omtrek:
  • Het meten van de taille-omtrek is een nog eenvoudiger methode.Meet met een meetlint simpelweg de omtrek van uw taille (buik niet inhouden).Voor mannen geldt: bij een omtrek van 94 cm of meer sprake is van overgewicht en bij een taille van 102 cm of meer van vetzucht.Voor vrouwen geldt: 80 cm of meer staat voor overgewicht, vanaf 88 cm spreken we van vetzucht

We onderscheiden 2 soorten obesitas:
  • Gynoïde obesitas (peervormige): komt tot uiting door vetafzettingen onderaan het lichaam (billen, heupen, benen). Dit type obesitas treffen we vooral aan bij vrouwen
  • Androïde obesitas (appelvormige): hierbij zijn de vetafzettingen vooral gelokaliseerd op de romp en de buik. Deze vorm van obesitas gaat gepaard met een teveel aan vet binnenin de buik, rond de ingewanden. Het is een typisch mannelijke vorm. Dit is de ernstige vorm omdat het veel complicaties meebrengt: diabetes, te hoog cholesterolgehalte, hoge bloeddruk, vernauwingen van de vaatwand met een hoger risico op een infarct
Obesitas is een ingewikkeld probleem:
  • Hypertrofische obesitas: het gaat om jongeren die reeds vroegtijdig zwaarlijvig zijn. Zij hebben een normaal aantal vetcellen, maar deze zijn groter in omvang omdat ze zich ook feller kunnen vullen op oudere leeftijd. In de preventie van zwaarlijvigheid speelt het gewicht bij jongeren een belangrijke rol op oudere leeftijd
  • Hyperplastische en hypertrofische vetcellen: hier zijn de vetcellen tijdens de jeugd groter in aantal maar ook groter in omvang. Bij hen is het vermageren op latere leeftijd veel moeilijker en is het belang van lichaamsbeweging ook veel groter. De vetcellen krijgen minder de kans zich te vullen
Er zijn ook bepaalde aandoeningen die obesitas in de hand werken: een te geringe werking van de schildklier zet de verbranding op een lager pitje. Bij de ziekte van Cushing wordt er door de bijnierschors te veel cortisol aangemaakt. Men moet op de allereerste plaats de calorieëninname beperken.

Obesitas veroorzaakt een nettovermindering in de levensverwachting die des te groter is naarmate de obesitas ernstiger is. De grootste risico's die door zwaarlijvige personen worden gelopen zijn cardiovasculaire aandoeningen. Bovendien, vanaf een bepaalde mate van overgewicht, brengt obesitas ademhalingsmoeilijkheden teweeg, waardoor het risico van ongevallen toeneemt bij ingrepen die anesthesie vereisen en ademhalingspauzes tijdens de slaap (slaapapneu). Het risico van kanker lijkt trouwens groter bij zwaarlijvige mensen. Ten slotte verhoogt obesitas ook de frequentie van galstenen (vooral bij vrouwen) en verergert de artrose in de knieën en de heupen

Oorzaken van overgewicht:
Er zijn 3 belangrijke factoren dia aan de oorsprong kunnen liggen van obesitas:
  1. Erfelijke factoren: kinderen van zwaarlijvige ouders hebben meer kans op zwaarlijvigheid dan kinderen van ouders met een normaal gewicht. Bovendien worden de grootte en de verdeling van het vetweefsel erfelijk bepaald. Verschillende aspecten van opname van voedingsmiddelen door het lichaam en gedrag dat voorbeschikt is voor obesitas ( voorkeur voor voedsel, vermogen om vetten op te slaan, enz,...) worden ook gedeeltelijk genetisch bepaald. Minstens 20 verschillende genen lijken in te werken op de ontwikkeling van obesitas
  2. Voedingsfactoren: om zwaarlijvig te worden, moet men te veel eten, in verhouding to de lichamelijke energiebehoeften, ofwel te vet in verhouding tot het vermogen om die vetten op te gebruiken. Deze overdaad aan voeding wordt bevorderd door de hoeveelheid en de aard van de beschikbare voedingsmiddelen, maar ook door familiale en culturele gewoonten die ertoe leiden dat men blijft eten ook nadat men verzadigd is. Ten slotte heeft de evolutie van de levenswijze in de geïndustrialiseerde landen geleid tot een verhoging van het suiker- en vetverbruik terwijl de verworvenheden van het moderne comfort bijdragen tot minder lichaamsbeweging
  3. Psychologische factoren: depressie, angst, wanhoop worden vaak gecompenseerd door een neiging om te veel te eten of om minder actief te zijn. door zijn psychologische gevolgen en door de ondoordacht opgelegde beperkingen die het met zich meebrengt, houdt obesitas zichzelf vaak in stand of leidt het tot verergering